Charleroi

Charleroi

Charleroi

Met steden als Sheffield, Katowice en Essen kan Charleroi aanspraak maken op de titel van minst aantrekkelijke stad van Europa. Een prima reden voor een bezoek.

Een grauwe, regenachtige januaridag in Wallonië. We naderen Charleroi vanuit het zuiden, over een lange, kaarsrechte weg, die dan weer twee banen heeft, dan weer vier. Geleidelijk merken we aan het landschap dat we de stad naderen: de leegte maakt plaats voor onregelmatige bebouwing en het aantal kruispunten met stoplichten neemt toe. Het laatste stuk is een voortdurende afdaling. Het bruin en het grijs van de stad vullen het blikveld. De weg vooruit leidt naar het hart ervan, onvermijdelijk.

In de centrale parkeergarage kunnen we niet terecht, dat is verboden voor auto’s met een LPG-installatie. Even verderop is nog een garage. Die is nagenoeg leeg, maar dat weerhoudt ons er niet van om de auto op het dak – niveau 1 – te parkeren. Je weet maar nooit met die LPG. Voor wie op zoek is naar de bevestiging van vooroordelen is het parkeerdak een uitgelezen startpunt. Achter een verhoogde snelweg en een spoorlijn doemt de enorme staalfabriek van Thy-Marcinelle op. We zien vlammen en dikke lichtgrijze rookkolommen uit schoorstenen opstijgen. We ruiken steenkool, alsof er net een stoomtrein voorbij is komen tuffen.

Charleroi heeft een metro. Dat wil zeggen, aandoenlijke trammetjes rijden heen en weer onder het centrale deel van de agglomeratie. De metrolijnen waren op de tekentafel geïntegreerd in een zeer omvangrijk netwerk. Echter, terwijl delen al in de bouwfase waren, moest vanwege financiële problemen de aanleg worden gestaakt. Verspreid over de stad liggen nagenoeg opgeleverde metrostations zonder spoor en zonder metro.

Te voet dan maar, door de binnenstad waar kerstbomen ondersteboven aan de gevel van een pand bungelen en waar om vijf uur ’s middags al het leven is geweken van de kerstmarkt. Je hoeft niet te zoeken om de treurnis te vinden. Het is donker wanneer we de kades van de Sambre bereiken. Als voetganger kan je door nauwe trapjes afdalen naar een soort modern jaagpad. Het is amper twee meter breed. We lopen er onder een overdaad aan roze en blauwe tl-verlichting, rechts baksteen en links halfhoog beton. De volgende trap is een welkome uitweg.

Tijd voor een pintje. En opnieuw een onverwachte authentieke ervaring. We zitten nog niet eens – in een nis met allemaal schilderijen met vrouwelijk naakt – of de volumeknop van de muziek wordt verder opengedraaid dan de luidsprekers tolereren. Er ontstaat kort daarop een ruzietje tussen enkele lokale bezoekers, een tafereel dat door de allesoverstemmende muziek aan een stomme film doet denken. Het naastgelegen Italiaanse restaurant, waar we de excursie besluiten, ziet eruit als veel Italiaanse restaurants. Toch, bij vertrek, nog voordat we buiten staan, weten we het weer. Met het openen van de tussendeur dringt de onmiskenbare geur van steenkool binnen.

We zijn in Charleroi.


Reageren is niet mogelijk.
Scroll Up